Ga verder naar de inhoud

Rechtspraak: aanvang arbeidsovereenkomst primeert op aanvang anciënniteit

01.10.2026

Het Hof van Cassatie verduidelijkt in zijn arrest van 1 juni 2026 de verhouding tussen enerzijds de aanvang van de anciënniteit en anderzijds de aanvang van de arbeidsovereenkomst. Het Hof gaat in op de vraag met welke datum rekening gehouden dient te worden bij de berekening van de opzegtermijn wanneer een werknemer voor 1 januari 2014 anciënniteit heeft opgebouwd binnen éénzelfde onderneming, rekening houdend met de overgangsregeling van de Wet Eenheidsstatuut. 
Deze overgangsregeling bepaalt hoe moet worden omgegaan met opzegtermijnen wanneer de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 20214 startte.

Het hof bevestigde duidelijk dat er voor de berekening van de opzegtermijn rekening moet gehouden worden met de aanvangsdatum van de laatst lopende arbeidsovereenkomst, waardoor de overgangsregeling (“dubbele foto”) niet toegepast moet worden.  

 De anciënniteit van de vroegere overeenkomst (bij werkgever behorend tot dezelfde groep) moet worden meegenomen, maar vanuit de regels volgens de laatste overeenkomst. Men mag er niet van uitgaan dat de laatste arbeidsovereenkomst een fictieve datum in het verleden creëert.  
 

Wat zijn de feiten?

De werknemer werkte sinds 2007 bij onderneming X, een zusteronderneming van onderneming Y. Op 30 juni 2014 werd zijn arbeidsovereenkomst met onderneming X in onderling akkoord beëindigd. 

Vanaf 1 juli 2014 trad de werknemer in dienst bij onderneming Y. De werknemer bleef dus binnen dezelfde economische exploitatie-eenheid werken, maar sloot wel een nieuwe arbeidsovereenkomst met een andere juridische entiteit. 

 In 2020 ontsloeg onderneming Y de werknemer wegens dringende reden.  

Vervolgens ontstond, naast onenigheid over de juistheid van de ‘dringende reden’ en over extra bonussen, een geschil over de berekening van de opzeggingsvergoeding. 

Het ging meer bepaald over de vraag of de overgangsregeling van de Wet Eenheidsstatuut van toepassing was. 

Het arbeidshof Gent oordeelde dat er rekening moest worden gehouden met de ononderbroken tewerkstelling van de werknemer binnen dezelfde economische exploitatie-eenheid sinds 2007. De werknemer moest daarom worden beschouwd als iemand wiens arbeidsovereenkomst vóór 1 januari 2014 was aangevangen. 

Wat besliste het Hof?

Het Hof van Cassatie vernietigde die redenering. 

Volgens het Hof is de tekst van artikel 67 van de Wet Eenheidsstatuut duidelijk. De overgangsregeling geldt voor werknemers “wier arbeidsovereenkomst een aanvang heeft genomen vóór 1 januari 2014”. 

Daarbij moet zuiver worden gekeken naar de arbeidsovereenkomst die door het ontslag wordt beëindigd. Het volstaat dus niet dat de werknemer vóór 1 januari 2014 al anciënniteit had opgebouwd binnen dezelfde onderneming of economische exploitatie-eenheid. 

 In dit geval ving de arbeidsovereenkomst met onderneming Y pas aan op 1 juli 2014.  

De overgangsregeling was daarom niet van toepassing, ook al werkte de werknemer vóór die datum al bij onderneming X binnen dezelfde groep. 

 Het Hof maakt daarmee een duidelijk onderscheid tussen de: 

  • aanvang van de arbeidsovereenkomst: de datum waarop de specifieke overeenkomst met de ontslag gevende werkgever begon; 
  • aanvang van de anciënniteit: het ogenblik waarop de werknemer zijn loopbaan binnen dezelfde onderneming of economische exploitatie-eenheid begon. 

 Voor de berekening van de opzeggingstermijn kan de anciënniteit die bij verschillende juridische entiteiten binnen dezelfde onderneming werd opgebouwd, onder bepaalde voorwaarden worden samengevoegd. Dat betekent echter niet dat een arbeidsovereenkomst die na 1 januari 2014 is gesloten, voor de toepassing van de overgangsregeling wordt geacht vóór die datum te zijn begonnen. 

Wat moet je onthouden uit dit arrest?

De overgangsregeling van de Wet Eenheidsstatuut  wordt strikt toegepast.  

Beslissend is niet enkel wanneer de werknemer binnen een groep of economische exploitatie-eenheid is beginnen werken, maar ook wanneer de arbeidsovereenkomst die door het ontslag wordt beëindigd, is aangevangen. 

 Een werknemer die na 1 januari 2014 overstapt naar een andere juridische entiteit binnen dezelfde groep: 

  • kan zijn eerdere anciënniteit mogelijk behouden voor de berekening van de opzeggingstermijn; 
  • kan zich niet beroepen op de overgangsregeling wanneer de nieuwe arbeidsovereenkomst pas na 1 januari 2014 begon; 
  • kan dus niet automatisch aanspraak maken op de zogenoemde dubbele fotoregel. 

 Het arrest bevestigt daarmee dat de aanvangsdatum van de arbeidsovereenkomst en de berekening van de anciënniteit afzonderlijk moeten worden beoordeeld. 

Het illustreert eigenlijk ook dat er een verschil is tussen loonanciënniteit en contractuele anciënniteit. Deze begrippen worden in de praktijk wel eens – foutief – door elkaar gehaald.  

Je moet voor de wettelijke opzegtermijn uitgaan van de anciënniteit binnen de onderneming, niet van de loon- of barema-anciënniteit. 

Loonanciënniteit bepaalt enkel in welke salarisschaal of barema de werknemer terechtkomt. Hier heb je bij het opstellen van een nieuwe arbeidsovereenkomst  onderhandelingsmarge. Zo beslis je als werkgever vrij om de loonanciënniteit uit vorige werkervaringen (niet noodzakelijk binnen de sector) al dan niet mee te nemen. De loonanciënniteit heeft geen invloed op de berekening van de opzegtermijn (tenzij uitdrukkelijk anders bepaald zou zijn).  

Anciënniteit voor de opzegtermijn is de periode waarin de werknemer ononderbroken in dienst is bij dezelfde werkgever of onderneming. De anciënniteit wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de opzegtermijn ingaat.  

Om discussies (achteraf) te vermijden vermeld je in een nieuwe arbeidsovereenkomst,  waarbij de anciënniteit binnen de organisatie teruggaat tot voor 1 januari 2014, best met een clausule duidelijk welke anciënniteit wordt erkend voor de berekening van de opzegtermijn en welke loonanciënniteit worden toegekend en wat hiervan het doel en de uitwerking zijn.  

 

Hof van Cassatie 1 juni 2026, S.24.0016.N. 

Anderen lazen ook dit:

Aanpassing maximumbedrag kilometervergoeding

Het kwartaalbedrag voor de periode van 1 oktober 2026 tot 31 december 2026 bedraagt 0,4452 euro per kilometer.

Dit betekent een lichte verhoging t.o.v. het kwartaalbedrag van 0,4440 euro per kilometer voor de periode van 1 juli tot 30 september 2026.

 

Verplichte controle uittreksel strafregister 'goed en zedelijk gedrag' voor nieuwe medewerkers in bepaalde jeugdsectoren

De Vlaamse Regering legt aan bepaalde organisaties de verplichting op om aan de hand van een uittreksel uit het strafregister het goed en zedelijk gedrag van nieuwe medewerkers te controleren. 

Komaf maken met jouw kopzorgen rond het inzetten van personeel?

Doe net als +900 socioculturele collega-organisaties, en sluit je vandaag nog aan bij Sociare!