Mobiliteitsvergoeding biedt werknemer de optie om bedrijfswagen in te ruilen

donderdag 24/05/2018

De mobiliteitsvergoeding maakt het vanaf 1 januari 2018 voor sommige werknemers mogelijk om hun bedrijfswagen, die ze ook voor privéverplaatsingen mogen gebruiken, in te ruilen voor een bedrag dat fiscaal en sociaal op dezelfde manier wordt behandeld.

Binnen het kader en de voorwaarden die de werkgever heeft ingevoerd, kan de werknemer een aanvraag richten tot de werkgever om zijn bedrijfswagen in te ruilen. De werkgever is volledig vrij om zo’n regeling in te voeren en toe te kennen, en de werknemer is niet verplicht om erop in te gaan.

Let wel: niet alle werkgevers en werknemers komen in aanmerking. Om misbruik tegen te gaan, heeft de wetgever een wachtperiode ingelast:

  • De werkgever kan de mobiliteitsvergoeding maar invoeren wanneer hij gedurende een ononderbroken periode van 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de invoering van de mobiliteitsvergoeding één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stelde van één of meerdere werknemers.  

            Uitzondering: voor startende werkgevers geldt geen minimumtermijn.

  • De werknemer moet de voorbije 36 maanden minstens 12 maanden én minstens 3 maanden ononderbroken op het moment van zijn aanvraag van de mobiliteitsvergoeding over een bedrijfswagen beschikt hebben.

 

Mobiliteitsvergoeding

De mobiliteitsvergoeding is het bedrag dat de werknemer krijgt van zijn werkgever in ruil voor het inleveren van zijn bedrijfswagen. Op deze vergoeding zijn specifieke regels van toepassing die in grote mate overeenstemmen met de specifieke behandeling van de bedrijfswagen:

  • De mobiliteitsvergoeding komt overeen met 20% van 6/7e van de cataloguswaarde van het voertuig en verhoogt met 20% als de werknemer over een tankkaart beschikte.  Dit komt dan overeen met 24% van 6/7 van de cataloguswaarde van de bedrijfswaarde. Het gaat om een jaarbedrag, maar wordt in maandelijkse schijven betaald, zolang de werknemer in zijn functie recht heeft op een bedrijfswagen.
  • Het belastbaar gedeelte van de vergoeding is vergelijkbaar met het belastbaar voordeel voor de bedrijfswagen. De werknemer betaalt er geen sociale bijdragen op.
  • De werkgever is een solidariteitsbijdrage verschuldigd. Die is even hoog als de solidariteitsbijdrage die de werkgever verschuldigd was voor de ingeruilde bedrijfswagen en wordt op dezelfde manier berekend zolang de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend.

Let wel: de mobiliteitsvergoeding zelf wordt ook geacht de vergoeding voor de woon-werkverplaatsingen te dekken. Daarom worden álle verplaatsingsvergoedingen die de werkgever bovenop de mobiliteitsvergoeding toekent aan de werknemer, loon. Als enige uitzondering komen de vrijgestelde verplaatsingsvergoedingen in aanmerking die de werkgever in het kader van de woon-werkverplaatsing in de drie maanden vóór het inruilen van de wagen ook al toekende bovenop de bedrijfswagen. Het gaat daarbij dan ook enkel om bedragen die in dezelfde grootteorde liggen.

Nog belangrijk om te weten: bedrijfswagens die toegekend werden in ruil voor een vermindering van het brutoloon ('salary sacrifice') of geheel of gedeeltelijk ter vervanging van een premie of ander voordeel, kunnen nooit worden ingeruild tegen de mobiliteitsvergoeding, zelfs als er op het omgezette voordeel geen bijdragen verschuldigd waren.

De wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding treedt retroactief in werking op 1 januari 2018.

De sociale partners hebben ook een voorstel rond het mobiliteitsbudget uitgewerkt. Momenteel bekijkt de regering deze piste. Wij volgen het dossier uiteraard verder op.

Bron: Wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, Staatsblad 7 mei 2018; Administratieve instructies RSZ - 2018/1,Tussentijdse instructies 9 mei 2018, ‘Cash for cars’ – mobiliteitsvergoeding.