VAPW: een aanvullend pensioen voor elke werknemer

vrijdag 18/01/2019

Vanaf 27 maart 2019 heeft elke werknemer de mogelijkheid om een aanvullend pensioen op te bouwen via de werkgever. Heeft de werkgever geen of maar een beperkte groepsverzekering? Dan kan de werknemer hem vragen om een deel van het nettoloon in te houden en door te storten naar een pensioeninstelling. 

Het vrij aanvullend pensioen voor werknemers of VAPW moet de tweede pensioenpijler openstellen voor alle werknemers. Want niet alle werknemers bouwen vandaag een aanvullend pensioen op via een groepsverzekering of sectorfonds. Werkgevers en sectoren zijn niet verplicht om dit aan te bieden. En dat blijft ook zo. Wél krijgen werknemers met het VAPW voortaan de kans om zelf een tweede pijlerpensioen op te starten als de werkgever of de sector dat niet of maar beperkt doet. Zij kunnen de werkgever vragen om een deel van het nettoloon in te houden en door te storten naar de pensioeninstelling van hun keuze.

De werkgever is verplicht om op die vraag in te gaan als er voor de werknemer:

  • ofwel geen aanvullende pensioenopbouw is via een groepsverzekering of sectorpensioen.
  • ofwel maar een beperkte aanvullende pensioenopbouw is via een groepsverzekering en/of sectorpensioen. Concreet komt een werknemer alleen in aanmerking als hij twee jaar voordien (n-2) niet meer dan 3% van het aan rsz onderworpen brutojaarloon  of 1600 euro (bedrag 2019) op jaarbasis aan aanvullend pensioen opgebouwd heeft in de tweede pijler.

Wat betekent dit voor werkgevers in onze sector?

Je bent een werkgever …

in PC 329.01

in PC 329.03

zonder groepsverzekering

werknemers kunnen een VAPW opstarten*

met groepsverzekering waarin het totaal van de premies in n-2  < 3% v/h brutojaarloon of 1600 euro per jaar (als dat bedrag hoger is)

Werknemers kunnen een VAPW opstarten, tenzij de opbouw via  het sectorpensioen ervoor zorgt dat het grensbedrag toch overschreden wordt

werknemers kunnen een VAPW opstarten

met groepsverzekering waarin het totaal van de premies in n-2  ≥ 3% v/h brutojaarloon of 1600 euro per jaar (als dat bedrag hoger is)

werknemers kunnen geen VAPW opstarten

* Ook in PC 329.01, want de aanvullende pensioenopbouw via het sectorpensioen is er lager dan het grensbedrag.

De rol en verantwoordelijkheid van de werkgever in een VAPW is uitsluitend administratief: hij houdt de premies in op het loon en stort ze door naar de pensioeninstelling die de werknemer kiest. Er is geen rendementsgarantie en geen rsz-bijdrage ten laste van de werkgever zoals bij een groepsverzekering, geen informatieverplichting bij uitdiensttreding, enz. De werknemer neemt het initiatief, regelt alles met de pensioeninstelling die hij kiest, informeert de werkgever en bepaalt de bijdrage. Hij geniet alleen het rendement dat de pensioeninstelling aanbiedt. De bijdrage en het fiscaal voordeel zijn wel beperkt tot 1600 euro per jaar of 3% van het aan rsz- onderworpen brutojaarloon dat de werknemer verdiend heeft tijdens het tweede jaar dat voorafgaat (n-2) aan het jaar waarin de werknemer een VAPW opbouwt (n). Heeft de werknemer al een beperkt aanvullend pensioen, dan moet bovendien de aangroei van de verworven reserves tussen het tweede jaar (n-2) en het eerste jaar (n-1) voorafgaand aan het jaar van de opbouw (n) in mindering gebracht worden.  

Werkgevers kunnen, als zij dat wensen, een raamakkoord sluiten met een pensioeninstelling waarbinnen hun werknemers individuele pensioenovereenkomsten kunnen sluiten voor het beheer van hun VAPW. Maar werknemers blijven echter ook dan vrij om zelf een andere pensioeninstelling te kiezen. 

Meer details over de regeling van het VAPW lees je in onze syllabus groepsverzekering. 

Deze maatregel wordt op 27 maart 2019 van kracht, drie maanden na publicatie in het staatsblad. Op dat ogenblik verdwijnt de bestaande regeling van de ‘individuele pensioeneis’. Die laat bepaalde werknemers vandaag toe om de groepsverzekering die zij hadden bij een vorige werkgever individueel voort te zetten wanneer er bij de nieuwe werkgever of sector geen pensioenplan voor hen bestaat. De werkgever houdt een deel van het nettoloon in, met een maximum van 2400 euro per jaar (bedrag aanslagjaar 2019), en stort het door aan een pensioeninstelling naar keuze van de werknemer. Alleen werknemers die minstens 42 maanden aangesloten waren bij de groepsverzekering kunnen de individuele pensioeneis gebruiken. Werknemers die al een pensioeneis hebben lopen, kunnen die na  de inwerkingtreding van de VAPW verder zetten. Maar een nieuwe pensioeneis laten gelden, kan dan niet meer.

Bron: Wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen, staatsblad 27 december 2018.