Regering versterkt link tussen werken en pensioen

donderdag 18/01/2018

De regering wil de bevolking activeren en langer aan de slag houden. Ook via de pensioenhervormingen. Hoe dan precies? Door in de pensioenberekening voor werknemers gewerkte periodes sterker te waarderen dan niet-gewerkte periode en werken dus beter te belonen dan niet werken. 

Een overzicht van de concrete maatregelen die gepubliceerd zijn in het Staatsblad en gelden voor alle pensioenen die ten vroegste op 1 januari 2019 ingaan:

 1. Eenheid van loopbaan afgeschaft voor gewerkte periodes

De regering schaft in de eerste plaats de zogenaamde ‘eenheid van loopbaan' af. Dat is de regeling die het pensioen beperkt tot 45 loopbaanjaren of 14.040 voltijdse dagequivalenten met gewerkte, gelijkgestelde of geregulariseerde periodes. Werknemers die meer dan 45 jaar of 14.040 voltijdse dagequivalenten gewerkt hebben, zagen tot nu toe dus alleen de 45 voordeligste jaren of 14.040 voordeligste dagequivalenten van hun loopbaan meetellen voor het wettelijk pensioen.

De afschaffing van dit principe betekent dat werknemers voortaan pensioen kunnen blijven opbouwen, ook al hebben ze een loopbaan die meer dan 45 jaren of 14.040 voltijdse dagequivalenten duurt. Tenminste als ze effectief aan de slag blijven als werknemer. Want de afschaffing geldt alleen voor de effectief gewerkte dagen die het maximum van 45 loopbaanjaren of 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijden. In de mate dat de overschrijding gebeurt door niet-gewerkte dagen, zal het overeenstemmend aantal dagen toch nog verrekend moeten worden op het pensioenbedrag.

Een voorbeeld:

Voor een werknemer met een loopbaan van in totaal 14.400 voltijdse dagequivalenten telden onder de oude regeling altijd maar 14.040 voltijdse dagequivalenten mee voor de pensioenopbouw. Van de totale loopbaan van 14.400 voltijdse dagequivalenten werden dus de 360 minst voordelige dagen, waarop de werknemer het minst verdiend had, afgetrokken.

Onder de nieuwe regeling vanaf 2019 tellen alle 14.400 voltijdse dagequivalenten mee voor de opbouw van het wettelijk pensioen, tenminste als de werknemer de 360 voltijdse dagequivalenten die het maximum van 14.040 overschrijden ook effectief gepresteerd heeft. Als de werknemer bv. 100 dagequivalenten daarvan ziek was, dan worden op de totale loopbaan van de werknemer de 100 minst voordelige dagequivalenten in mindering gebracht.

Bovendien geldt vanaf 2019 in principe ook geen gelijkstelling meer voor de periodes van volledige werkloosheid, swt of pseudo-swt, in de mate dat ze vallen nadat de werknemer een beroepsloopbaan van 45 jaar of 14.040 voltijdse dagequivalenten bereikt heeft. Wat betekent dat die periodes ook niet meer als ‘meest voordelige’ periode kunnen meetellen wanneer de eenheid van loopbaan toegepast wordt.  Tenzij de betrokkene gebruik kan maken van een van de overgangsmaatregelen (zie verder onder ‘gelijkstelling inactiviteitsperiodes verder beperkt’).

Een voorbeeld:

Voor een werknemer met een loopbaan van in totaal 14.400 voltijdse dagequivalenten telden onder de oude regeling altijd maar 14.040 voltijdse dagequivalenten mee voor de pensioenopbouw. De 360 minst voordelige dagen leveren geen pensioenopbouw op (zie boven). Als de werknemer aan het einde van zijn loopbaan in een swt-stelsel zat, en de 360 dagen met het laagste loon zich elders in zijn loopbaan situeren (bv. bij de start van de loopbaan), dan kunnen de laatste 360 dagen van de swt-periode toch nog bijdragen aan het pensioen. Ook al overschrijden die dagen de grens van 14.040 voltijdse dagequivalenten.  

Onder de nieuwe regeling vanaf 2019 kan een werknemer op basis van meer dan 14.040 voltijdse dagequivalenten pensioen opbouwen, maar alleen als het daarbij gaat om effectief gepresteerde dagen. De overschrijding met 360 inactiviteitsdagen in het kader van een swt komt daar dus niet voor in aanmerking. Bovendien kunnen die 360 swt-dagen ook niet meer meetellen in de pensioenberekening als ‘voordeligste dagen’ aangezien zij niet langer gelijkgesteld worden met gewerkte dagen. Tenzij een overgangsmaatregel geldt (zie verder).

Hiermee samenhangend krijgen swt’ers voortaan dan ook de mogelijkheid om het wettelijk pensioen vervroegd op te nemen (zie verder).

Deze nieuwe regeling geldt ook voor werknemers met een gemengde loopbaan (combinatie met loopbaan als ambtenaar of zelfstandige). Een gelijkaardige regeling geldt voor personen met een overlevingspensioen of een overgangsuitkering. Behalve voor de overlevingspensioenen die berekend zijn op een rustpensioen dat ten laatste op 1 december 2018 ingegaan is.

2. Gelijkstelling inactiviteitsperiodes verder beperkt

De pensioenwetgeving stelt bepaalde inactiviteitsperiodes gelijk met gewerkte periodes en laat het loon dat de werknemer tijdens die periodes verdient dus ook meetellen voor de wettelijke pensioenopbouw. Voor bepaalde periodes telt het werkelijk laatst verdiende loon van de werknemer mee, maar voor andere periodes wordt dat loon beperkt tot een lager fictief loon, het zg. ‘minimumjaarrecht’, dat momenteel 23.841,73 euro bedraagt voor een voltijder met een volledig loopbaanjaar. Tenzij het werkelijk loon lager is dan het minimumjaarrecht, dan telt toch het werkelijk laatst verdiende loon mee voor het pensioen.

Een kb schroeft de gelijkstelling op basis van het werkelijk laatst verdiende loon van de werknemer vanaf 2019 terug voor enkele gelijkgestelde periodes:

  • swt en pseudo-swt

Sinds 2012 geldt dat swt’ers in het algemeen stelsels van cao nr. 17 en swav’ers in een pseudo-swt of canada dry-stelsel in principe pas vanaf hun 59ste verjaardag pensioen opbouwen op basis van hun werkelijk laatst verdiende loon. De periodes vóór hun 59ste verjaardag tellen ook mee, maar slechts op basis van het minimumjaarrecht.

De pensioenopbouw van swt-en swav-periodes gelegen na 31 december 2016 gebeurt vanaf 2019 echter van begin tot einde op basis van het minimumjaarrecht. Met uitzondering van volgende personen die onder de oude regeling blijven:

-           zij die op 31 december 2016 al in een swt- of swav-stelsel zaten

-           zij die voor 20 oktober 2016 ontslagen zijn met het oog op een swt of swav

Let op: voor de bijzonder stelsels van medisch swt, swt zwaar beroep en swt voor organisaties  in herstructurering of moeilijkheden wijzigt niets. Voor die periodes telt het werkelijk laatst verdiende loon dus mee in de pensioenberekening. Het lijkt er wel op dat de nieuwe regeling ook geldt voor het bijzonder swt-stelsel zeer lange loopbaan aangezien dat stelsel niet uitdrukkelijk uitgesloten wordt.

  •  onvrijwillige werkloosheid

Werknemers die hun ontslag kregen en onvrijwillig werkloos worden omdat ze niet meteen een nieuwe job vinden, bouwen tijdens de eerste periode van hun werkloosheid nog op basis van hun werkelijk laatst verdiende loon pensioen op. Blijven ze langer werkloos, dan kunnen ze op bepaalde voorwaarden in de tweede en zelfs derde vergoedingsperiode terecht komen. Wanneer dat gebeurt, is afhankelijk van hun gezinssituatie, het beroepsverleden en de duur van de werkloosheidsperiode. Meer daarover lees je op de website van de RVA

Sinds 2012 bouwen onvrijwillig werklozen die zich in de derde vergoedingsperiode bevinden in principe maar pensioen op op basis van het minimumjaarrecht. Die regeling breidt nu uit zodat ook de tweede vergoedingsperiode waarin onvrijwillig werklozen zich sinds 1 januari 2017 bevinden maar meetelt op basis van het minimumjaarrecht.

Een uitzondering blijft behouden voor de personen die pas ten vroegste in het jaar van hun 50ste verjaardag werkloos geworden zijn. Zij blijven pensioen opbouwen op basis van het werkelijk laatst verdiende loon tijdens de tweede en derde vergoedingsperiode, tenzij in het deel van de derde vergoedingsperiode dat zich situeert voor de 55ste verjaardag. Zo wil de regering rekening houden met de moeilijkheden die deze groep ervaart bij het vinden van een nieuwe job op de arbeidsmarkt. 

Let op: deze nieuwe regeling heeft geen gevolgen voor de werkloosheidsperiodes van specifieke categorieën van werklozen, zoals kunstenaars, die in de eerste vergoedingsperiode blijven.

Hetzelfde kb beperkt ook de eigenlijke gelijkstelling van deze inactiviteitsperiodes met gewerkte periodes wanneer ze zich aan het einde van de loopbaan situeren. Concreet zijn periodes van volledige werkloosheid, swt of pseudo-swt vanaf 2019 niet meer gelijkgesteld, in de mate dat ze vallen nadat de werknemer een beroepsloopbaan van 45 jaar of 14.040 voltijdse dagequivalenten bereikt heeft. Wat betekent dat die periodes, wanneer de eenheid van loopbaan’ toegepast wordt, ook niet meer als ‘meest voordelige’ periode kunnen meetellen in de pensioenberekening.

Hiermee samenhangend krijgen swt’ers voortaan ook de mogelijkheid om het wettelijk pensioen vervroegd op te nemen (zie verder).

Twee overgangsmaatregelen voorzien dat de werkloosheids-, swt- of swav-dagen die na het 14.040ste dagequivalent van de beroepsloopbaan vallen wel nog gelijkgesteld worden voor de pensioenberekening van:

  • zij die een beroepsloopbaan van 14.040 voltijdse dagequivalenten opgebouwd hebben vóór 1 september 2017
  • zij die een beroepsloopbaan van 14.040 voltijdse dagequivalenten opgebouwd hebben maar die nog niet voldoen aan de leeftijd- en loopbaanvoorwaarden om met vervroegd pensioen te gaan. De overgangsmaatregel vervalt wel zodra de betrokkene wel aan de voorwaarden voor vervroegd pensioen voldoet.

3. Vervroegd pensioen voortaan ook mogelijk voor swt’ers

Swt’ers die dat wensen en die aan de vereiste leeftijd- en loopbaanvoorwaarden voldoen, kunnen vanaf 2019 beslissen om hun wettelijk pensioen vervroegd op te nemen. Vóór de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar dus. Tot nu toe hadden swt’ers die keuze niet en moesten zij in het swt-stelsel blijven tot 65 jaar.

Vooral swt’ers die een loopbaan van 45 jaar of 14.040 voltijdse dagequivalenten bereiken en in aanmerking komen voor vervroegd pensioen, zullen hier wellicht gebruik van maken. Voor hen stopt op dat ogenblik immers de gelijkstelling van de swt-periode en is er geen pensioenopbouw meer (zie boven). Swt’ers die nog geen volledige loopbaan hebben, kunnen vanaf 2019 ook met vervroegd pensioen als zij de vereiste leeftijd en loopbaan hebben, maar zetten met die keuze wel zelf de pensioenopbouw stop en lopen daarmee  een volledig wettelijk pensioen mis.

Aangezien een loopbaan van 45 jaar of 14.040 voltijdse dagequivalenten eerder uitzonderlijk is, zullen de meeste swt’ers er dus nog altijd voordeel bij hebben om pas op 65 jaar met pensioen te gaan.

Bronnen:

  • Wet van 5 december 2017 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de pensioenregelingen voor werknemers en zelfstandigen, wat betreft het beginsel van de eenheid van loopbaan en het vervroegd rustpensioen, Staatsblad 29 december 2017.
  • Koninklijk besluit van 19 december 2017 tot wijziging van artikel 24bis en artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, Staatsblad 29 december 2017.

Meer informatie: