Ga verder naar de inhoud

Wat zijn mijn verplichtingen als werkgever rond vorming en opleiding?

10.02.2021

Afhankelijk van de grootte van je organisatie, zal je per jaar een aantal opleidingsdagen moeten voorzien voor werknemers. Hieronder lees je hoeveel dagen dat net zijn en hoe dit bijgehouden en gemeten wordt.

Aantal dagen opleiding voor de hele organisatie

Dat bereken je aan de hand van het gemiddeld aantal werknemers in hoofden in het laatste volledige even jaar. Voor 2021 kijken we dus naar de gemiddelde tewerkstelling in 2020.

Dat levert een aantal opleidingsdagen op die je gemiddeld per vte in de organisatie moet voorzien. Het gaat om een gemiddelde: het is dus niet zo dat elke werknemer individueel recht op dit aantal opleidingsdagen. Per organisatie wordt gemeten of de werkgever in totaal genoeg opleidingsdagen heeft voorzien. Het ene jaar kan de ene werknemer wat meer vorming hebben genoten, het andere jaar een collega.

Voorbeeld: organisatie A telt 47 vte. De werkgever moet dus 94 (47 vte x 2 dagen) opleidingsdagen voor het personeel voorzien, in totaal. Het maakt niet uit wie deze opleidingsdagen volgt.

Aantal werknemers gemiddeld in 2020 Aantal opleidingsdagen per VTE
< 10
nvt
10-20
1 opleidingsdag
> 20
2 opleidingsdagen

Sociale balans: meting van de vormingsinspanningen

De globale vormingsinspanningen worden gemeten op basis van het technisch verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Dat gebeurt op basis van de sociale balans van de balanscentrale.
'Grotere' organisaties met gemiddeld minstens twintig werknemers (in voltijdse eenheden) moeten een sociale balans bij hun jaarrekening voegen.

Die sociale balans bevat gegevens over de tewerkstelling, zoals aantal werknemers, aantal in- en uitdiensttredingen. De sociale balans onderging op 1 december 2008 een metamorfose en bevat nu een uitgebreid opleidingsluik. Niet alleen formele opleidingen (georganiseerd in een opleidingslokaal, intern of extern) moeten nu vermeld worden maar ook de informele die betrekking hebben op het werk/de functie zelf, en ook 'initiële' beroepsopleidingen (bv. in het stelsel van alternerend werken en leren).

Via onderstaande link vind je ons instrument terug om je opleidingen op te registreren. Via deze tool kun je later de juiste gegevens makkelijk overnemen op de sociale balans.

Welke opleidingen tellen mee?

Vorming dekt een ruime lading. En bevat naast formele opleidingen (georganiseerd in een opleidingslokaal, intern of extern) ook informele vormingen die betrekking hebben op het werk of de functie zelf. Ten slotte behoren ook ‘initiële beroepsopleidingen’ tot vorming, bijvoorbeeld in het stelsel van alternerend werken en leren. Het vormingsbegrip in het kader van de sociale balans is de referentie. Art 2, 3° van het kb van 10 februari 2008 voegt het opleidingsluik toe aan de sociale balans. Het omschrijft bovendien de opleidingsactiviteiten.

Vorming is in deze context dus de opleidingsactiviteiten waarvan de kost geheel of gedeeltelijk ten laste is van de werkgever. Dat kan ook indirect zijn, bv. door tussenkomst van het Fonds Risicogroepen.

De sociale balans splitst opleidingen op in:

(1) Voortgezette beroepsopleiding:
is gepland en heeft als doel de kennis van de werknemers te vergroten of de vaardigheden van de werknemers te verbeteren. Het kan gaan om formele of om informele opleiding.

Formele opleiding:
- Cursussen en stages ontwikkeld door lesgevers of sprekers.

- Hoge graad van organisatie door de lesgever of opleidingsinstelling.

- Plaats duidelijk afgescheiden van de werkplek

Intern/extern:

- Interne formele opleiding: ontwikkeld en beheerd door de onderneming

- Externe formele opleiding: ontwikkeld en beheerd door een organisme buiten de betrokken onderneming

Informele opleiding:
- Rechtstreeks betrekking op het werk

- Hoge graad van zelforganisatie door de individuele leerling of door een groep leerlingen.

- Inhoud wordt bepaald naargelang de individuele behoeften van de leerling op de werkplek.

Voorbeelden:

On-the-job-training, begeleiderschap, coaching, verwerven van knowhow, opleiding of vorming door middel van jobrotatie, uitwisselingen, studiebezoeken en detacheringen, zelfstudie (of open opleiding) en opleiding op afstand (boeken, cassettes, cd-rom, cursussen per post), bijwonen van conferenties, workshops, beurzen en lezingen.

Vallen er niet onder:

Brainstorming, beleidsinformatiesessies, eenvoudig onthaal van nieuwe werknemers (zonder aansluitende vorming).

(2) “Initiële” beroepsopleiding:
opleiding gegeven aan personen die in de organisatie tewerkgesteld zijn in het kader van alternerend leren en werken, met als doel een officieel erkend diploma of certificaat te behalen.

Dit zijn opleidingen met als doel het behalen van een officieel erkend diploma of certificaat. Naast de studieactiviteit is er ook een - ondergeschikt - arbeidselement aanwezig. De opleiding duurt minstens 6 maanden.

Voorbeelden:

Ondernemingsopleidingen, socioprofessioneel inschakelingscontract, middenstandsopleidingen, individuele beroepsopleiding (ibo) via VDAB/Actiris, beroepsinlevingsovereenkomst (bio).

Welke brutokosten mag je in rekening brengen?

Tot de brutokosten die je besteedt aan vorming behoren:

  • De bezoldigingen (brutolonen en sociale lasten) van de werknemers:

- in opleiding, voor de duur van de opleiding.

- die instaan voor de opleiding ( voltijds of deeltijds), in voor de uren die verband houden met het voorbereiden en geven van de opleiding

- die instaan voor de organisatie of de administratieve aspecten van de opleiding (voltijds of deeltijds), voor de uren die verband houden met het organiseren en de administratie van de opleiding

  • De verplaatsing- en verblijfkosten van de werknemers die aan de opleiding deelnemen voor zover deze kosten rechtstreeks met de opleiding verband houden
  • Het inschrijvingsgeld dat je ten laste neemt
  • De uitsluitend voor de opleiding gemaakte kosten voor leermateriaal (dat je anders dus niet zou aangekocht hebben).
  • Kosten die je ten laste neemt voor het onderhoud en de afschrijving van de lokalen (bijvoorbeeld de opleidingscentra), de uitrusting en het meubilair bestemd voor opleiding, die daarvoor uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt (in het laatste geval: de kosten in functie van het aantal uren gebruik voor de opleiding)
  • De kosten die je ten laste neemt voor de pedagogische ondersteuning van de opleiding (aanschaffing of aanmaak van pedagogische werken met uitzondering van werken met publicitaire inslag)
  • De betaalde bijdragen en/of de stortingen aan de collectieve fondsen

Hieronder valt de bijdrage aan het Fonds Risicogroepen. Sociare sluit hiervoor tweejaarlijkse cao’s met de vakbonden over deze bijdrage. Hier lees je meer info.


Anderen lazen ook dit:

Op komst: Nieuwe maatregelen voor een beter evenwicht werk-privéleven

Minister van Werk Pierre-Yves Dermagne heeft een aantal maatregelen uitgewerkt om het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren.
Het gaat om een omzetting van een Europese richtlijn naar Belgisch recht.

Meest in het oog springend is de invoering van een nieuw zorgverlof en de mogelijkheid voor de werknemer om een meer flexibele werkregeling te vragen.

Generieke gids niet langer van kracht

2 maanden na het opheffen van de epidemische noodsituatie, op 11 mei 2022, eindigde voor de werkgevers de verplichting om de maatregelen van de Generieke Gids "Veilig Werken tijdens een epidemie of een pandemie” en aanvullende sectorgidsen toe te passen.

Komaf maken met jouw kopzorgen rond het inzetten van personeel?

Doe net als +800 socioculturele collega-organisaties, en sluit je vandaag nog aan bij Sociare!